27/7/26

Is de Belgische holdingvennootschap in 2026 nog steeds competitief?

Twintig jaar lang stond de keuze voor een Belgische holdingvennootschap nauwelijks ter discussie. De combinatie van een gunstig regime voor de vrijstelling van meerwaarden en dividenden, een uitgebreid netwerk van belastingverdragen en een voldoende hoge mate van rechtszekerheid maakte België tot een vanzelfsprekende keuze voor internationale groepen.

Vandaag is die vanzelfsprekendheid verdwenen. Door de inwerkingtreding van de tweede Pijler, de strengere substantievereisten en de toenemende anti-misbruikmaatregelen is de vraag niet langer louter retorisch: blijft België in 2026 een voorkeursjurisdictie voor de vestiging van een internationale holdingvennootschap?

Waarom was België lange tijd een referentie voor holdings?

De historische aantrekkelijkheid van België als holdingjurisdictie berust op een geheel van factoren waarvan de stabiliteit gedurende twee decennia internationale groepen vertrouwen gaf bij de keuze tussen verschillende Europese vestigingsplaatsen:

  • het DBI-regime (Definitief Belaste Inkomsten), opgenomen in de artikelen 202 tot en met 205 van het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992, dat – onder bepaalde voorwaarden inzake deelneming, minimumdrempel en belastingheffing – een groot deel van de economische dubbele belasting op door de holding ontvangen dividenden neutraliseert;
  • de afwezigheid van bronheffing op uitgaande dividenden in tal van intragroepstructuren, met name dankzij de Europese Moeder-Dochterrichtlijn en de dubbelbelastingverdragen;
  • een bijzonder uitgebreid netwerk van belastingverdragen, waardoor dividend-, interest- en royaltystromen efficiënt kunnen worden gestructureerd met een groot aantal operationele jurisdicties;
  • een goed functionerende voorafgaande beslissingsdienst (rulingcommissie) en een relatief voorspelbare rechtspraak;
  • redelijke oprichtings- en exploitatiekosten in vergelijking met andere Europese financiële centra.

Deze fundamenten zijn niet verdwenen. Op zichzelf volstaan zij echter niet langer om voor België te kiezen. De internationale context is ingrijpend gewijzigd en noopt ondernemingen ertoe hun vestigingskeuze opnieuw te evalueren.

Wat is er vandaag veranderd?

Vier samenlopende ontwikkelingen hebben de criteria voor de keuze van een holdingjurisdictie grondig gewijzigd. Zij zijn niet exclusief Belgisch, maar hebben wel een directe impact op de manier waarop een Belgische holding vandaag moet worden opgezet en verantwoord.

A. Tweede Pijler en het einde van de keuze op basis van het nominale belastingtarief

Richtlijn (EU) 2022/2523 van 15 december 2022, omgezet in Belgisch recht bij de wet van 19 december 2023, voert een minimale effectieve belastingdruk van 15% in voor multinationale groepen die de toepasselijke geconsolideerde omzetdrempel overschrijden.

Voor deze groepen verliest de keuze voor een holdingjurisdictie louter op basis van een gunstig nominaal belastingtarief grotendeels haar belang. Een eventueel voordeel inzake effectieve belastingdruk kan immers worden geneutraliseerd door een aanvullende belasting (top-up tax) die elders binnen de groep wordt geheven.

De aandacht verschuift daarom naar andere factoren, zoals de kwaliteit en voorspelbaarheid van de juridische omgeving, de toegang tot belastingverdragen en het vermogen om een reële economische aanwezigheid aan te tonen.

B. De vereiste van reële economische substantie

Belgische én buitenlandse belastingadministraties, evenals de rechterlijke macht, onderzoeken de economische realiteit van vennootschapsstructuren vandaag veel grondiger.

Een holding kan niet langer louter op papier bestaan. Zij moet beschikken over:

  • een bestuursorgaan dat daadwerkelijk in België vergadert en beslissingen neemt;
  • voldoende eigen personeel of middelen die aansluiten bij haar activiteiten;
  • reële bedrijfsruimten; en
  • een gedocumenteerd besluitvormingsproces.

Deze substantievereiste, die reeds een belangrijke rol speelde in de rechtspraak over het begrip uiteindelijke gerechtigde (ultimate beneficial owner), staat vandaag centraal bij de toepassing van zowel belastingverdragen als Europese richtlijnen.

C. Versterking van de anti-misbruikmaatregelen

Verschillende instrumenten werken vandaag samen om structuren zonder economische rechtvaardiging te bestrijden:

  • de ATAD-richtlijn (EU 2016/1164), met inbegrip van ATAD II inzake hybride mismatches;
  • de DAC6-richtlijn (EU 2018/822), die de melding van bepaalde grensoverschrijdende constructies verplicht stelt; en
  • de Principal Purpose Test (PPT) uit artikel 7 van het multilateraal instrument van de OESO, op grond waarvan verdragsvoordelen kunnen worden geweigerd wanneer het verkrijgen van die voordelen een van de voornaamste doelstellingen van de structuur was.

Samen beperken deze maatregelen aanzienlijk de mogelijkheden voor constructies die uitsluitend een fiscaal doel dienen.

D. Het geleidelijke einde van "lege" holdings

De automatische uitwisseling van informatie tussen belastingadministraties, de grotere transparantie over uiteindelijke begunstigden en de harmonisering van internationale normen maken holdings zonder werkelijke substantie steeds zichtbaarder – en bijgevolg kwetsbaarder.

Deze ontwikkeling is geen tijdelijke tendens, maar weerspiegelt een blijvende verandering van het internationale fiscale kader waaraan geen enkele jurisdictie volledig ontsnapt.

Hieruit volgt een genuanceerdere conclusie dan een eenvoudige rangschikking van landen: geen enkele jurisdictie is onder alle omstandigheden de beste keuze. De optimale vestigingsplaats hangt af van de werkelijke activiteiten van de groep, haar vermogen om daar daadwerkelijk bestuur en beheer uit te oefenen en de samenhang tussen de juridische structuur en de operationele realiteit die zij weerspiegelt.

Conclusie

De vraag is niet langer waar de fiscaliteit het gunstigst is, maar waar een vennootschapsstructuur op duurzame wijze een reële economische aanwezigheid kan aantonen binnen een stabiele juridische omgeving die haar verdere ontwikkeling ondersteunt.

Vanuit dat perspectief behoudt België belangrijke troeven voor groepen waarvan de vestiging is ingegeven door economische motieven. Structuren die uitsluitend fiscale doeleinden nastreven, lopen daarentegen een aanzienlijk groter risico om door de autoriteiten in vraag te worden gesteld.

Deze evolutie bevestigt dat een doeltreffende ondernemingsstructuur vandaag een geïntegreerde benadering vereist van fiscaliteit, vennootschapsmobiliteit en ondernemingsrecht. Vanuit die multidisciplinaire visie begeleidt Vanbelle Law Boutique ondernemingen, investeerders en bedrijfsleiders bij hun nationale en internationale verrichtingen.
Contacteer ons

Omdat u uniek bent, verdient u maatwerk en een persoonlijke aanpak

Laten we samenwerken
Contact