6/7/26

Het Grondwettelijk Hof zet een belangrijke koerswijziging in bij de beoordeling van de bestaansmiddelenvereiste bij gezinshereniging

Op 2 april 2026 heeft het Belgische Grondwettelijk Hof een belangrijk arrest gewezen inzake de toepassing van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet (arrest nr. 38/2026). Met dit arrest verduidelijkt het Hof de draagwijdte van het bestaansmiddelenvereiste voor Belgische gezinsherenigers en stelt het vast dat een bepaalde interpretatie (gangbare praktijk) van artikel 40ter ongrondwettig is.

Het arrest heeft niet alleen gevolgen voor de twee concrete procedures die aanleiding gaven tot de prejudiciële vragen, maar ook voor talrijke lopende en toekomstige dossiers inzake gezinshereniging.

Achtergrond van de zaak

De zaak betrof twee aanvragen tot gezinshereniging waarbij een buitenlandse partner een verblijfsrecht vroeg op basis van een relatie met een Belgische rijksinwoner.  De Dienst Vreemdelingenzaken had de aanvragen geweigerd omdat de Belgische referentiepersoon volgens de administratie niet beschikte over voldoende stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelde vast dat artikel 40ter van de Vreemdelingenwet in de praktijk vaak zo werd uitgelegd dat uitsluitend de eigen inkomsten van de Belgische referentiepersoon in aanmerking mochten worden genomen. De inkomsten van de partner die zich bij de Belg wilde voegen, werden buiten beschouwing gelaten. 

Zoals ook ons kantoor in diverse zaken eerder al had aangekaart, stelde de Raad ditmaal wel een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

De vastgestelde ongrondwettigheid

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat deze interpretatie van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen), strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel), gelezen in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven waarborgt. 

Volgens het Hof bestaat er geen redelijke verantwoording om bij Belgische gezinsherenigers uitsluitend rekening te houden met hun persoonlijke inkomsten, wanneer in andere regelingen inzake gezinshereniging een ruimere beoordeling van de beschikbare bestaansmiddelen mogelijk is. Een dergelijke strikte interpretatie leidt ertoe dat gezinnen waarvan beide partners samen over voldoende middelen beschikken, toch van gezinshereniging worden uitgesloten.

Het Hof stelt vast dat dezelfde bepalingen ook grondwetsconform kunnen worden geïnterpreteerd. De woorden "beschikken over bestaansmiddelen" betekenen volgens het Hof niet noodzakelijk dat uitsluitend de persoonlijke inkomsten van de Belgische referentiepersoon mogen worden meegeteld. Ook de stabiele inkomsten van de partner kunnen in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen. In die interpretatie zijn de bepalingen wel verenigbaar met de Grondwet.

Waarom is dit arrest zo belangrijk?

Het arrest is belangrijk omdat het een einde maakt aan een restrictieve administratieve praktijk die jarenlang aanleiding gaf tot weigeringen van verblijfsaanvragen. De beslissing versterkt de bescherming van het gezinsleven en verplicht de bevoegde instanties om een concretere en realistischere beoordeling te maken van de financiële situatie van het gezin als geheel.

Het Hof sluit bovendien aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin reeds werd geoordeeld dat het begrip "beschikken over voldoende bestaansmiddelen" niet noodzakelijk beperkt is tot de inkomsten van één enkele persoon, maar ruimte laat om rekening te houden met de gezamenlijke financiële draagkracht van het gezin. 

Gevolgen voor lopende en toekomstige dossiers

De impact van het arrest reikt verder dan de twee procedures waarin de prejudiciële vragen werden gesteld.

In de eerste plaats zal de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de behandeling van de betrokken dossiers de door het Grondwettelijk Hof gegeven interpretatie moeten toepassen. Indien de gezamenlijke bestaansmiddelen van beide partners voldoende blijken te zijn, kan een eerdere weigering niet langer worden gehandhaafd louter omdat de Belgische referentiepersoon zelf onvoldoende inkomsten heeft.

Daarnaast zal ook de Dienst Vreemdelingenzaken zijn beslissingspraktijk moeten aanpassen. Nieuwe aanvragen kunnen niet langer worden beoordeeld op basis van de veronderstelling dat uitsluitend de inkomsten van de Belgische gezinshereniger relevant zijn. De administratie zal voortaan alle stabiele en toereikende bestaansmiddelen moeten onderzoeken die daadwerkelijk ter beschikking staan van het gezin.

Ook voor hangende beroepsprocedures is het arrest van groot belang. Wanneer een weigering uitsluitend steunt op de uitsluiting van de inkomsten van de partner, kan de betrokken vreemdeling zich rechtstreeks beroepen op dit arrest om aan te voeren dat de toegepaste wetsinterpretatie ongrondwettig is.

 

 Vanbelle Law Boutique heeft een gevestigde praktijk in zaken van global mobility, waar ook gezinshereniging regelmatig in voorkomt.  Aarzel niet ons te contacteren als u, op basis van dit nieuwe arrest, vragen hebt of mogelijkheden ziet voor uw eigen, bestaand of nieuw, dossier.
Contacteer ons

Omdat u uniek bent, verdient u maatwerk en een persoonlijke aanpak

Laten we samenwerken
Contact