De overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting, ondertekend op 4 mei 2026 door de premier van Liechtenstein, Brigitte Haas, en de Belgische eerste minister, Bart De Wever, vormt momenteel een nieuw instrument voor vermogens- en fiscale structurering. Deze overeenkomst, die nog niet is geratificeerd, beoogt dubbele belasting inzake inkomsten- en vermogensbelastingen tussen beide landen te vermijden.
De instabiliteit en de verstrenging van het Europese fiscale beleid onderstrepen het belang van een doordachte strategie voor investeerders en ondernemingen. Deze bijdrage biedt een overzicht van de juridische, fiscale en economische implicaties van deze nieuwe overeenkomst.
I. Ontstaan en doctrine
Tot de ondertekening van deze overeenkomst in mei 2026 bevonden de fiscale betrekkingen tussen België en het Prinsdom Liechtenstein zich in een reëel verdragsvacuüm.
Bij gebrek aan een verdrag werden natuurlijke personen met fiscale woonplaats en vennootschappen met maatschappelijke zetel in één van beide staten vaak blootgesteld aan juridische dubbele belasting op hun grensoverschrijdende inkomsten en vermogensbestanddelen.

Deze situatie vloeide voort uit de parallelle toepassing van nationale wetgevingen, waarbij elke staat een heffingsrecht opeiste op basis van ofwel de woonplaats, ofwel de bron van het inkomen.
Het fundamentele onderscheid tussen de verdragsbeginselen
De structuur van de overeenkomst berust, zoals vaak het geval is, op een fundamenteel onderscheid:
- Het OESO-modelverdrag (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling): dit dient als mondiale referentiearchitectuur en stelt het woonplaatsbeginsel voorop als prioritair criterium voor belastingheffing, terwijl bronheffing een subsidiair criterium blijft voor specifieke categorieën zoals dividenden, interesten of inkomsten uit onroerend goed.
- Het BEPS-project (Base Erosion and Profit Shifting): deze standaard, rechtstreeks geïntegreerd in de tekst en ontwikkeld door de OESO en de G20, heeft specifiek tot doel normatieve lacunes te dichten om te verhinderen dat multinationale ondernemingen hun fiscale druk verminderen door asymmetrieën tussen nationale belastingstelsels uit te buiten.
II. De belangrijkste pijlers van de overeenkomst
Het bilaterale fiscale landschap werd door de ondertekening van deze tekst grondig hertekend. Mogelijkheden tot optimalisatie zonder reële economische substantie werden ingeperkt.
A. Vrijstelling van bronheffingen
Dit is de meest structurele bepaling voor grensoverschrijdende financiële stromen:
- Algemeen kader: de overeenkomst voorziet in een volledige vrijstelling van bronheffing op intra groep dividenden, leningen tussen verbonden ondernemingen en royalty’s.
- Breuk met het interne recht: volgens het Belgische interne recht zijn dividenden die aan een buitenlandse vennootschap worden uitgekeerd in principe onderworpen aan een roerende voorheffing van 30%. Aangezien Liechtenstein geen lidstaat van de Europese Unie is (hoewel het sinds 1995 deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte), kon het geen beroep doen op de Europese moeder-dochterrichtlijn.
De overeenkomst voert aldus een regeling in die het afgeleide Europese recht niet kon bieden en verwijdert daarmee een belangrijk obstakel voor het vrije verkeer van kapitaal.
B. De fiscale behandeling van vermogensstructuren en fondsen
Liechtenstein is een vooraanstaand prinsdom dat meer dan 500 miljard euro aan activa beheert en gekenmerkt wordt door specifieke juridische entiteiten:
- Specifieke structuren: de overeenkomst voorziet in duidelijke regels voor Anstalten (instellingen), Stiftungen (stichtingen) en Treuhänderschaften (trusts). Deze structuren, waarvoor geen rechtstreeks equivalent bestaat, zorgden vroeger voor aanzienlijke onzekerheid in het licht van de Belgische antimisbruikwetgeving. In het Belgische fiscale recht vallen dergelijke entiteiten immers binnen het toepassingsgebied van de Kaaimantaks.
De overeenkomst introduceert voortaan een “analysekader” waarmee nauwkeuriger kan worden beoordeeld of een Liechtensteinse structuur vanuit fiscaal oogpunt als “transparant” dan wel “ondoorzichtig” wordt beschouwd.

Indien één van deze structuren wordt gekwalificeerd als een juridische constructie zonder substantie, kan België de Kaaimantaks toepassen. De inkomsten van de structuur zullen dan rechtstreeks belast worden in hoofde van de Belgische inwoner alsof hij deze persoonlijk had ontvangen.
Indien daarentegen de structuur een reële economische activiteit aantoont of voldoet aan de door de overeenkomst erkende criteria van ondoorzichtigheid, zal zij rechtszekerheid bieden en een einde maken aan systematische fiscale correcties die louter gebaseerd zijn op het feit dat de entiteit in Liechtenstein gevestigd is.
- Collectieve beleggingsvehikels: Liechtensteinse investerings- en pensioenfondsen vallen onder bijzondere bepalingen die een functionelere fiscale behandeling mogelijk maken.
C. De onderlinge overlegprocedure en verplichte arbitrage
Om de rechtszekerheid van belastingplichtigen te waarborgen, voorziet de tekst in een onderlinge overlegprocedure in geval van interpretatiegeschillen. Bovendien wordt arbitrage verplicht indien de procedure niet binnen een termijn van drie jaar tot een oplossing leidt, wat een echte procedurele waarborg biedt tegen resterende dubbele belasting.
D. Verstrenging van de anti-misbruikregels
De nalevingsvereisten werden aanzienlijk aangescherpt. Om agressieve fiscale optimalisatie via Liechtenstein als tussenschakel tegen te gaan, bevat de tekst strikte fiscale due diligence-clausules die voortvloeien uit de BEPS-standaarden.
- De LOB-clausule (Limitation on Benefits): waarborgt dat de voordelen van een belastingverdrag uitsluitend worden toegekend aan echte inwoners van de verdragsluitende staten (eerder een vormanalyse).
- De PPT-clausule (Principal Purpose Test): laat de fiscale administratie toe de verdragsvoordelen te weigeren wanneer blijkt dat een juridische constructie hoofdzakelijk werd opgezet om belasting te ontwijken (eerder een inhoudelijke analyse).

III. Mogelijke economische gevolgen voor België
Op macro-economisch vlak lijkt de impact op lange termijn overwegend positief:
- Aantrekkelijkheid voor buitenlandse directe investeringen: het bestaan van een stabiel kader laat family offices, stichtingen en private-equity fondsen uit Liechtenstein toe hun investeringen in België veilig te structureren. Ter vergelijking: gelijkaardige verdragen die België afsloot (zoals met Zwitserland of Luxemburg) hebben binnen vijf jaar na hun inwerkingtreding geleid tot een gemiddelde stijging van de bilaterale buitenlandse directe investeringen.
- Concurrentievermogen van Belgische ondernemingen: Belgische groepen met dochtervennootschappen in Liechtenstein zullen hun netto kaspositie zien verbeteren dankzij de afschaffing van repatriëringsheffingen op dividenden, interesten en royalty’s, wat nieuwe investeringen of uitkeringen aan aandeelhouders zal bevorderen.
IV. Conclusie
In 2026 vult de overeenkomst tussen België en Liechtenstein een historische leemte op tussen twee onderling verbonden economieën en sluit zij aan bij de beste praktijken van het hedendaagse internationale fiscale recht.
Zij bevestigt de verankering van Liechtenstein als transparant financieel centrum en biedt België een nieuw instrument om fiscale inkomsten veilig te stellen en zijn aantrekkelijkheid te versterken.
De succesvolle uitvoering ervan zal voortaan een absolute juridische en fiscale nauwkeurigheid vereisen van belastingplichtigen in beide staten.
De tekst moet nog worden geratificeerd door de parlementen van beide landen (waarschijnlijk nog in 2026), met een geschatte inwerkingtreding op 1 januari 2027. Indien de ratificatie pas in 2027 plaatsvindt, zal de inwerkingtreding vermoedelijk worden vastgesteld op 1 januari 2028.

Aarzel niet om contact op te nemen met Vanbelle Law Boutique voor alle vragen met betrekking tot deze nieuwe juridische realiteit of om de mogelijkheden en eventuele voordelen ervan voor uw structuur of vermogen te onderzoeken.


.png)
