3/8/26

De belangrijkste fiscale evoluties voor internationaal opererende ondernemingen vanaf de zomer van 2026

De internationale fiscaliteit bevindt zich in een fundamentele transitie. Waar ondernemingen jarenlang hun internationale structuren konden organiseren rond gunstige belastingtarieven en verdragsvoordelen, verschuift de aandacht vanaf de zomer van 2026 steeds meer naar transparantie, economische substantie en wereldwijde minimumbelasting.

De fiscale evoluties zijn niet langer beperkt tot afzonderlijke nationale maatregelen, maar vloeien voort uit een gecoördineerde aanpak binnen de OESO en de Europese Unie?  Voor internationaal opererende ondernemingen zijn vooral vijf ontwikkelingen van doorslaggevend belang.

1. De Tweede Pijler wordt een operationele realiteit

De belangrijkste fiscale evolutie is zonder twijfel de praktische implementatie van de OESO Pillar Two-regels.

Sinds de Belgische wet van 19 december 2023 geldt voor multinationale ondernemingsgroepen met een geconsolideerde omzet van minstens 750 miljoen euro een wereldwijde minimale effectieve belastingdruk van 15%. Vanaf de zomer van 2026 verschuift de aandacht echter van de wetgeving naar de concrete naleving ervan.

De Belgische fiscus heeft de aangifteformulieren, de GloBE Information Return (GIR) en de procedures voor de binnenlandse bijheffing (QDMTT) en de Income Inclusion Rule (IIR) beschikbaar gemaakt. De eerste aangiftes en kennisgevingen moeten in 2026 worden ingediend.

Voor internationale groepen betekent dit dat zij niet alleen hun effectieve belastingdruk per jurisdictie moeten berekenen, maar ook uitgebreide rapporteringen moeten opstellen en nieuwe compliance processen moeten implementeren. De keuze van een holdinglocatie zal daardoor minder worden bepaald door een laag belastingtarief en meer door factoren zoals rechtszekerheid, verdragsbescherming en een geloofwaardige economische aanwezigheid.

2. Meer rapporteringsverplichtingen door DAC9

Een tweede belangrijke ontwikkeling is de omzetting van de DAC9-richtlijn.

Deze Europese richtlijn vormt een aanvulling op Pillar Two en creëert een uniform kader voor de automatische uitwisseling van de GloBE Information Return tussen belastingadministraties binnen de Europese Unie. Het doel is dubbele rapportering te vermijden, maar tegelijk de internationale samenwerking tussen belastingdiensten aanzienlijk te versterken.

Voor ondernemingen betekent dit dat fiscale informatie sneller en systematischer zal worden gedeeld tussen verschillende lidstaten. Internationale fiscale structuren worden daardoor veel transparanter en de kans op gecoördineerde controles neemt toe.

3. Economische substantie wordt doorslaggevend

Hoewel de aandacht vroeger vooral uitging naar belastingtarieven, verschuift de focus steeds meer naar de vraag of een onderneming beschikt over reële economische substantie.

Belastingadministraties onderzoeken vandaag veel kritischer of een holdingvennootschap daadwerkelijk bestuurd wordt vanuit haar vestigingsland, beschikt over voldoende personeel, eigen middelen en kantoorinfrastructuur en zelfstandig economische beslissingen neemt.

Voor holdings die uitsluitend zijn opgericht om dividenden of royalty's door te sluizen, wordt het steeds moeilijker om verdragsvoordelen of Europese richtlijnen succesvol in te roepen. Ondernemingen zullen hun internationale organisatiestructuur daarom beter moeten documenteren en kunnen aantonen dat zij een daadwerkelijke economische functie vervullen.

4. Internationale anti-misbruikregels worden strenger toegepast

Ook de toepassing van internationale antimisbruikbepalingen neemt verder toe.

De combinatie van de ATAD-richtlijnen, de Principal Purpose Test (PPT) uit het multilaterale OESO-instrument en de reeds bestaande DAC6-meldingsplicht zorgt ervoor dat fiscale constructies steeds intensiever worden beoordeeld op hun economische rechtvaardiging.

De centrale vraag luidt daarbij niet langer of een structuur juridisch mogelijk is, maar of zij ook een voldoende zakelijke motivering heeft.

Voor internationaal opererende ondernemingen betekent dit dat klassieke holdingstructuren, financieringsmaatschappijen en royaltyvennootschappen vaker onderwerp zullen zijn van fiscale controles. De documentatie van commerciële motieven en operationele activiteiten wordt daardoor minstens even belangrijk als de fiscale analyse zelf.

5. Het einde van belastingconcurrentie als belangrijkste vestigingscriterium

Een van de meest fundamentele veranderingen is dat belastingtarieven hun rol als doorslaggevend vestigingscriterium grotendeels verliezen.

Door de invoering van een wereldwijde minimumbelasting van 15% voor grotere ondernemingen verdwijnt een belangrijk deel van het voordeel dat ondernemingen vroeger konden behalen door winsten onder te brengen in laag belaste jurisdicties. Indien een groepsvennootschap minder dan 15% effectieve belasting betaalt, kan een andere staat immers een aanvullende belasting (top-up tax) heffen.

Daardoor verschuift de internationale concurrentie tussen staten steeds meer naar andere elementen, zoals:

  • de kwaliteit van het ondernemingsrecht;
  • rechtszekerheid;
  • een efficiënt gerechtelijk systeem;
  • een uitgebreid netwerk van belastingverdragen;
  • de beschikbaarheid van gespecialiseerde financiële en juridische dienstverlening;
  • politieke en economische stabiliteit.

Een nieuwe fiscale realiteit

Voor internationaal opererende ondernemingen betekent de tweede helft van 2026 niet zozeer een hogere nominale belastingdruk, maar vooral een fundamenteel andere manier van internationaal ondernemen.

Fiscale planning verschuift van belastingoptimalisatie naar risicobeheer en compliance. Internationale groepen investeren steeds meer in transfer pricing-documentatie, interne fiscale controles, substantievereisten en rapporteringssystemen. Tegelijk neemt de samenwerking tussen belastingadministraties verder toe, waardoor grensoverschrijdende structuren sneller worden gecontroleerd en beoordeeld vanuit een internationaal perspectief.

De tijd waarin een internationale holding hoofdzakelijk werd opgericht om fiscale redenen lijkt daarmee grotendeels voorbij.

Conclusie

Succesvolle internationale ondernemingen zullen zich daarom onderscheiden door een geïntegreerde aanpak waarin fiscaliteit, vennootschapsrecht, corporate governance en economische realiteit nauw op elkaar aansluiten.

Internationale structuren die steunen op reële activiteiten, degelijk bestuur en transparante rapportering zullen beter bestand zijn tegen de steeds strengere internationale fiscale regelgeving dan structuren die hoofdzakelijk om fiscale redenen zijn opgezet. 

Vanbelle Law Boutique begeleidt internationale ondernemers al meer dan drie decennia in hun zoektocht naar de voor hen meest geschikte juridische en fiscale structuur en setup.
Contacteer ons

Omdat u uniek bent, verdient u maatwerk en een persoonlijke aanpak

Laten we samenwerken
Contact