Wanneer een activiteit wordt uitgeoefend via een vennootschap binnen een huwelijk, behoort de waarde van de aandelen niet altijd uitsluitend toe aan degene die ze aanhoudt.
Hoewel de meerwaarde verbonden aan deze aandelen die met eigen middelen zijn verworven in principe tot het eigen vermogen behoort, is dat niet altijd het geval. Wees dus voorzichtig en organiseer dit goed!

Waardecreatie binnen een vennootschap
Vandaag de dag is het ontwikkelen van een professionele activiteit binnen een vennootschap een natuurlijke reflex voor veel ondernemers, om de activiteit efficiënt te organiseren, risico’s te beheersen en groei te ondersteunen. Naarmate de activiteit zich ontwikkelt, wordt de gecreëerde waarde onder meer zichtbaar in de stijging van de waarde van de aandelen. Intuïtief lijkt het dan ook logisch dat deze waarde toebehoort aan degene die de aandelen bezit.
Toch verdient deze visie nuance. Binnen een huwelijk betekent waarde creëren in een vennootschap niet noodzakelijk dat men er alleen eigenaar van blijft.
Aan wie behoort de meerwaarde van aandelen?
Behoort de meerwaarde verbonden aan deze aandelen noodzakelijk toe aan de ondernemer die ze tijdens het huwelijk bezit?
Dit is een belangrijke vraag. In de praktijk hangt het antwoord af van verschillende factoren:
- de wijze van financiering van de aandelen (eigen middelen of gemeenschappelijke middelen);
- de manier waarop de waarde binnen de vennootschap werd gecreëerd;
- en, in voorkomend geval, de betrokkenheid van de echtgenoot/echtgenote bij de ontwikkeling van de activiteit.
Deze elementen zijn niet neutraal. Ze kunnen op termijn de verdeling van de gecreëerde waarde beïnvloeden, met name bij een echtscheiding of bij de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel.
Het kader van het huwelijksvermogensstelsel
In het Belgisch recht berust het antwoord op het onderscheid tussen eigen vermogen en gemeenschappelijk vermogen.
Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel voorziet enerzijds in het eigen vermogen van elke echtgenoot, dat onder meer de goederen omvat die vóór het huwelijk werden verworven en de goederen die tijdens het huwelijk met eigen middelen zijn verkregen (bijvoorbeeld via schenking of erfenis) (artikelen 2.3.17 en 2.3.18 van het Burgerlijk Wetboek). Anderzijds omvat het gemeenschappelijk vermogen in principe de inkomsten die tijdens het huwelijk worden verworven en de goederen die met deze inkomsten worden aangekocht (artikel 2.3.22 van het Burgerlijk Wetboek).
Dit ogenschijnlijk eenvoudige onderscheid wordt complexer wanneer de waarde voortvloeit uit een activiteit binnen een vennootschap.
Aandelen verworven met gemeenschappelijke of eigen middelen
Wanneer aandelen zijn verworven met gemeenschappelijke middelen, behoren zij tot het gemeenschappelijk vermogen, evenals de daaraan verbonden meerwaarde.

Wanneer deze aandelen daarentegen met eigen middelen zijn verworven, met name in geval van herbelegging van persoonlijke middelen (wederbelegging in de zin van artikel 2.3.21 van het Burgerlijk Wetboek), behoren zij tot het eigen vermogen van de echtgenoot die ze bezit. Hij of zij is dus de enige eigenaar van de aandelen. Deze kwalificatie geldt ook voor de meerwaarde die door deze aandelen wordt gegenereerd. Er dient echter aan te worden herinnerd dat beroepsinkomsten die tijdens het huwelijk worden ontvangen in principe tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, als vruchten van de arbeid van de echtgenoten. Deze analyse vereist echter belangrijke nuances.
Waarde wordt vaak gekapitaliseerd
In de praktijk beperkt de waarde van een vennootschap zich niet tot uitgekeerde inkomsten.
Een bestuurder kan ervoor kiezen zichzelf een beperkte vergoeding toe te kennen en de winsten binnen de vennootschap te houden om de groei te financieren (een vaak voorkomende situatie).
Deze strategie, economisch verantwoord, leidt tot een kapitalisatie van de waarde binnen de vennootschap. De waarde verdwijnt niet, maar verschuift naar de waardering van de aandelen.
Op dat moment wordt de kwestie bijzonder gevoelig. De aandelen kunnen aan één echtgenoot toebehoren, maar de waarde die zij vertegenwoordigen komt in werkelijkheid voort uit inkomsten die tijdens het huwelijk zijn gegenereerd en in de vennootschap zijn gebleven in plaats van als vergoeding te worden uitgekeerd. Als deze inkomsten waren uitgekeerd, zouden ze tot het gemeenschappelijk vermogen hebben behoord. Door ze in de vennootschap te laten, verhogen ze de waarde ervan en dus ook die van de aandelen die slechts door één echtgenoot worden gehouden.
Er ontstaat dan een spanningsveld tussen het eigendom van de aandelen en de oorsprong van de waarde die zij vertegenwoordigen.
De bijdrage van het Grondwettelijk Hof
In zijn arrest van 5 maart 2026 heeft het Belgisch Grondwettelijk Hof belangrijke verduidelijkingen gegeven.

Het Hof bevestigt dat wanneer aandelen met eigen middelen zijn verworven, zij hun eigen karakter behouden. De meerwaarde blijft dus in principe verbonden aan het eigen vermogen van de echtgenoot die ze bezit.
Daarmee sluit het Hof aan bij een reeds bestaand juridisch debat. Sommigen waren van mening dat de kwalificatie van de aandelen doorslaggevend is: behoren zij tot het eigen vermogen, dan volgt de meerwaarde hetzelfde regime. Anderen legden daarentegen de nadruk op de oorsprong van de waarde en stelden dat wanneer deze voortvloeit uit een activiteit tijdens het huwelijk, zij niet volledig kan worden losgekoppeld van het gemeenschappelijk vermogen.
De oplossing van het Hof sluit echter niet uit dat er een wisselwerking is met het gemeenschappelijk vermogen.
Het vergoedingsmechanisme
Wanneer het gemeenschappelijk vermogen inkomsten is misgelopen waarop het rechtmatig aanspraak kon maken—met name doordat winsten in de vennootschap zijn gebleven—kan een corrigerend mechanisme worden toegepast: het vergoedingsmechanisme, dat toelaat de gemeenschap te vergoeden (art. 2.3.44 van het Burgerlijk Wetboek).
Dit mechanisme herstelt het evenwicht tussen de vermogens wanneer het ene is verrijkt ten koste van het andere. Het is aan de vragende echtgenoot om dit te bewijzen. Zo kan de meerwaarde, hoewel juridisch verbonden aan het eigen vermogen, aanleiding geven tot een financiële compensatie.
De impact van de echtgenoot/echtgenote
De analyse wordt nog complexer wanneer de echtgenoot die geen eigenaar is van de aandelen, bijdraagt aan de activiteit. Deze bijdrage kan direct zijn (deelname aan de activiteiten van de vennootschap) of indirect (ondersteuning, expertise of betrokkenheid bij de ontwikkeling van de activiteit).

In dergelijke situaties wordt de grens tussen eigen en gemeenschappelijk vermogen moeilijker te bepalen door de spanning tussen het eigendom van de aandelen en de economische oorsprong van hun waarde. Waardecreatie kan dan niet langer uitsluitend worden toegeschreven aan de activiteit van de aandeelhoudende echtgenoot. Een dergelijke bijdrage kan de rechten van het gemeenschappelijk vermogen versterken, met name via het vergoedingsmechanisme, wanneer de gecreëerde waarde geheel of gedeeltelijk voortvloeit uit de betrokkenheid van de echtgenoot.
Conclusie
Tot slot dringt zich een belangrijke nuance op: de eigendom van de aandelen volstaat op zich niet om te bepalen wie eigenaar is van de waarde die zij naderhand vertegenwoordigen. Hoewel de meerwaarde op aandelen die met eigen middelen zijn gefinancierd in principe tot het eigen vermogen behoort, kan deze kwalificatie niet los worden gezien van de omstandigheden waarin de waarde is gecreëerd.
Wanneer deze voortvloeit uit een activiteit die tijdens het huwelijk werd uitgeoefend—met name wanneer winsten binnen de vennootschap zijn gebleven—ontstaat er een wisselwerking met het gemeenschappelijk vermogen. Dit kan leiden tot de toepassing van het vergoedingsmechanisme, bedoeld om het evenwicht te herstellen wanneer het gemeenschappelijk vermogen inkomsten is misgelopen waarop het recht had. De analyse wordt nog genuanceerder wanneer de echtgenoot bijdraagt aan de ontwikkeling van de activiteit, rechtstreeks of onrechtstreeks. Een dergelijke betrokkenheid kan de rechten van het gemeenschappelijk vermogen versterken wanneer de gecreëerde waarde geheel of gedeeltelijk uit deze bijdrage voortvloeit.
Het arrest van 5 maart 2026 herinnert in dit verband aan een essentieel principe: het gebruik van een vennootschapsstructuur maakt het niet mogelijk om de vruchten van arbeid aan het gemeenschappelijk vermogen te onttrekken. De economische logica van de vennootschap doet geen afbreuk aan de regels van het vermogensrecht.
Voor bestuurders vereisen deze kwesties bijzondere aandacht. De wijze van financiering van de aandelen, de keuzes inzake verloning, het beleid rond winstuitkering en de betrokkenheid van de echtgenoot bij de activiteit zijn allemaal factoren die de verdeling van waarde in de tijd aanzienlijk kunnen beïnvloeden, met name bij echtscheiding of vereffening van het huwelijksvermogensstelsel.

In deze context volstaat een louter technische benadering niet. Waardecreatie binnen een vennootschap moet worden bekeken vanuit een globale invalshoek, waarin vennootschapsrechtelijke, vermogensrechtelijke en persoonlijke dimensies worden geïntegreerd, om de gevolgen ervan te kunnen anticiperen.
Vanuit dit perspectief begeleidt Vanbelle Law Boutique bestuurders en ondernemers bij het structureren en beveiligen van waarde creatie, zodat keuzes die vandaag worden gemaakt morgen geen ongewenste gevolgen hebben.



